tsjeljabinsker tuimelaar land van oorsprong gedurende enige eeuwen in de regio tsjeljabinsk (ook wel chelyabinsk geschreven) in de ural ontstaan uit kleine tuimelaars, pauwstaarten, meeuwtjes en voetbevederde “klatsch”tuimelaars. algemeen voorkomen klein (ongeveer 28-30 cm), diepstaand, hangvleugels, grote voetbevedering, in opwinding sidderhalsig en staart licht opgetrokken. raskenmerken kop: klein, glad, naar alle kanten goed gerond, met breed middelhoog voorhoofd en lichte wangvorming. snavel: bijna kort, zo dik mogelijk, met een stompe hoek in het voorhoofd overgaand, licht; neuswratten opvallend; oudere duiven dragen dikwijls een huidknobbel aan de ondersnavel. ogen: groot, donker, zo goed mogelijk in het midden van het kopprofiel; oogranden licht, breed. hals: middellang, slank, licht naar achter gebogen, bij opwinding sidderend; met of zonder jabot. borst: breed, enigszins naar voren gewelfd. rug: breed, kort, wat hol. vleugels: niet te lang, onder de staart gedragen, bijna de grond rakend. staart: kort, iets breder dan normaal, vlak tot licht gewelfd, met geringe stevigheid; met 12-16 pennen en onder een hoek van 30-45 graden gedragen. (opmerking: de duiven hebben zelden meer dan 12 staartpennen). benen: kort; grote, zo goed mogelijk overlappende, ronde voetbevedering, met uitgesproken gierhakken. bevedering: breed, zacht, niet te lang. fouten grof, lang of smal type; lange, dunne, ingestoken snavel, hetgeen met een smal uitgetrokken aangezicht samengaat; een open, losse of sterk gewelfde staart; rode oogranden; onvolledige voetbevedering; op de rug gedragen vleugels; gekleurde veren. een jabot wordt over het algemeen nagestreefd. beoordeling algemeen voorkomen - lichaamsvorm en -houding - kop- en snavelvorm - hals - staartpartij - voetbevedering - oogkleur en oogrand - (jabot). ringmaat 9. terug naar het overzicht rassen

TSJELJABINSKER TUIMELAAR




Land van oorsprong

Gedurende enige eeuwen in de regio Tsjeljabinsk (ook wel Chelyabinsk geschreven) in de Ural ontstaan uit kleine tuimelaars, pauwstaarten, meeuwtjes en voetbevederde “klatsch”tuimelaars.


Algemeen voorkomen

Klein (ongeveer 28-30 cm), diepstaand, hangvleugels, grote voetbevedering, in opwinding sidderhalsig en staart licht opgetrokken.


Raskenmerken

Kop:

klein, glad, naar alle kanten goed gerond, met breed middelhoog voorhoofd en lichte wangvorming.

Snavel:

bijna kort, zo dik mogelijk, met een stompe hoek in  het voorhoofd overgaand, licht; neuswratten opvallend; oudere duiven dragen dikwijls een huidknobbel aan de ondersnavel.

Ogen:

groot, donker, zo goed mogelijk in het midden van het kopprofiel; oogranden licht, breed.

Hals:

middellang, slank, licht naar achter gebogen, bij opwinding sidderend; met of zonder jabot.

Borst:

breed, enigszins naar voren gewelfd.

Rug:

breed, kort, wat hol.

Vleugels:

niet te lang, onder de staart gedragen, bijna de grond rakend.

Staart:

kort, iets breder dan normaal, vlak tot licht gewelfd, met geringe stevigheid; met 12-16 pennen en onder een hoek van 30-45 graden gedragen. (opmerking: de duiven hebben zelden meer dan 12 staartpennen).

Benen:

kort; grote, zo goed mogelijk overlappende, ronde voetbevedering, met uitgesproken gierhakken.

Bevedering:

breed, zacht, niet te lang.


Fouten

Grof, lang of smal type; lange, dunne, ingestoken snavel, hetgeen met een smal uitgetrokken

aangezicht samengaat; een open, losse of sterk gewelfde staart; rode oogranden; onvolledige voetbevedering; op de rug gedragen vleugels; gekleurde veren. Een jabot wordt over het algemeen nagestreefd.


Beoordeling

Algemeen voorkomen - lichaamsvorm en -houding -  kop- en snavelvorm - hals - staartpartij - voetbevedering - oogkleur en oogrand - (jabot).


Ringmaat 9.

Terug naar het overzicht rassen

titelpagina | rassen | fok | fotogalerij | artikelen | sitemap | contact