|
INLEIDING.
Sinds de domesticatie van de duif, dat wil zeggen sinds het moment dat de duif als huisdier werd gehouden, zijn er door de mens verschillende soorten onderkomens voor de duif gebouwd. Van eenvoudige in de rotsen uitgehakte holen, zoals bijvoorbeeld in Cappadocië tot zeer grote duiventorens in Frankrijk en de prachtige duifhuizen op de Griekse Cycladen.

Restanten van in de rotsen uitgehakte duivenhokken in Cappadocië.

Duifhuis op het eiland Tinos in Griekenland.
|
Ook in ons land werden in het verleden al dan niet fraaie bouwwerken opgetrokken waarin duiven konden worden
ondergebracht.
Niet iedereen mocht echter duiven houden. Er was een speciale vergunning voor nodig en bovendien werd het aantal te houden duiven geregistreerd.
Het recht om grote aantallen duiven te houden in tillen, poorten of torens was volgens een recht uit de 13e eeuw voorbehouden aan de (lagere) adel en de geestelijkheid; later ook aan boeren en dominees. Dit recht om duiven te houden was bovendien gekoppeld aan de grootte van het land dat men bezat. De duiven werden namelijk alleen in de winter wat bijgevoerd. De rest van het jaar moesten ze hun voedsel op de omringende velden zoeken, dit moest dus groot genoeg zijn om de eigen duiven te kunnen voeden. De pachters van de landbouwgronden hadden daar de nodige schade van, maar hadden dit te accepteren. Niet een ieder was dus blij met de duiven van zijn heer. De gewone lieden mochten soms zelfs niet een enkel koerduifje houden.
Dit “Recht op Duivenslag”, dus het recht om grote aantallen duiven te houden in tillen, torens of poorten, werd een “Heerlijk Recht” genoemd.
|
|

Duiventoren bij het huis De Salentein in Nijkerk.
|
Tijdens de Franse revolutie werd iedereen gelijkgesteld. Als gevolg hiervan werden alle heerlijke rechten in 1798 afgeschaft. Maar in 1800 werd het "Heerlijk Recht" weer in ere hersteld door koning Lodewijk Napoleon. Wel moesten vanaf die tijd alle duiventillen worden geregistreerd. Zo werden er van 1807 tot 1814 nog 1900 duivenhouders in ons land geregistreerd. In 1854 was dit al teruggelopen naar 100. Een zeer forse teruggang die mogelijk verklaard kan worden als gevolg van plunderingen door soldaten in de voorafgaande oorlog, verwaarlozing, de hoge kosten en heffingen e.d.
In 1848 werden bij de Grondwet opnieuw de heerlijke rechten afgeschaft, maar het recht van duivenslag bleef bestaan.
Van 1854 tot na 1950 werden nog gegevens geregistreerd van 200 duivenhouders. De meeste waren woonachtig in Groningen; hier stonden rond 1800 bijna evenveel duiventillen als in de rest van Nederland. Op 181 duivenhokken mochten 24.100 paren duiven worden gehouden. Dit gebeurde vooral door boeren, enkele borgheren en predikanten.
In 1954 is het recht op een duivenslag definitief afgeschaft.
|

De keukenmeester, ets naar een schilderij van
Joachim Sandrat (1606-1688).
|
|
De duiven in de duivenslagen waren bestemd voor het verschaffen van vers vlees, vooral in de winter. Voor de komst van aardappelen en bieten werd een groot gedeelte van het vee in het najaar geslacht, aangezien de boeren niet voldoende voedsel hadden om alle dieren de winter door te krijgen. November heet niet voor niets de slachtmaand of bloedmaand. Het geslachte vee werd gepekeld of gerookt. Om in de winter vers vlees te kunnen eten, werden duiven gehouden. Pas in de 18e eeuw raakten bij ons de knolgewassen bekend waarmee men ‘s winters het vee kon voeren. Het was daarom niet meer noodzakelijk om duiven te houden voor het verse vlees, aangezien men nu ook vers vlees van varken en rund kon eten.
Naast het vlees was ook de duivenmest die in grote hoeveelheden geproduceerd werd zeer gewild, vooral bij de verbouw van tabaksplanten.
Enkele malen per jaar werden de zolders en tillen uitgemest.
In Friesland werd zoveel mest geproduceerd, dat het zelfs werd uitgevoerd naar Utrecht en Gelderland.
|
Aangezien duiven van rust houden en hun omgeving goed in de gaten willen houden, werden de torens, poorten en de tillen waarin de duiven werden gehouden op enige afstand van het hoofdgebouw geplaatst.
Er bestond soms zelfs een “afpalingrecht” rond het duifhuis. Dit hield in, dat een bepaald gebied rondom het duivenverblijf werd “afgepaald” om aan te geven dat er rond het hok recht op stilte was.
Tevens was het belangrijk dat er in de omgeving (vers) water voorhanden was, hoewel er anderzijds op werd gewezen dat de til ook weer niet te dicht bij water moest staan, teneinde het water dat de duiven voor hare jongen halen, midlerwijle in hare bek warm kan worden, hetwelk veel gezonder voor de jonge duiven is als koud water.
De duivenonderkomens moesten bovendien zo gebouwd worden dat de duiven veilig waren voor roofdieren.
In de 18e eeuw werd het als volgt omschreven:
|
‘Vooreerst moet men er een bekwame plaats voor uitkiezen. Maar daar is geen betere plaats voor een Duivenhok, als midden op een voorplein van een Huis, zynde zeer ruim; of buiten het Huis, omdat de duiven, zynde schuw van aart, door het minste geraas, binnens Huis niet en verschrikken. Om dezelve reden moet het Duivenhok omtrent geen geboomte zyn, om door het geruis der Boomen niet vervaart gemaakt te worden. De grootheid en ruimte kan niet juist bepaald worden; hoewel het beter ruim, als nauw is’.
uit: Huishoudelyk Woordboek, vervattende vele middelen om zyn goed te vermeederen en zyne gezondheid te behouden.
M. Noel Chomel. 1743.
|
|
Een ander geeft als advies:
|
Hoe meer afgezonderd van de overige gebouwen van ‘t land en hoe hooger getimmerd de duifhuizen zijn, in de naebijheid van eenig zuiver water, hoe zy meerder bevolkt worden en overvloediger teelt hebben. Men omringt somtijds de hokken van buiten met een schuins afhangend en met blik beslagen keerbord, op de hoogte van 6 of 7 voeten van den grond, om het viervoetig ongedierte af te weeren.
uit: Nederlandsche Vogelen, volgens hunne huishouding, aert en eigenschappen beschreeven.
Cornelius Nozeman. 1770.
|
|
Zo ontstonden er in Nederland allerlei soorten duivenhokken in de vorm van een til, een toren of boven in een poortgebouw.
Naar volgend hoofdstuk.
Terug naar Duivenslagpoorten en duiventillen in Friesland.
|