gedrag dat bepaald wordt door de soort en de omgeving duiven beschikken over aangeboren, vaststaande gedragskenmerken, bijvoorbeeld het poets- en baltsgedrag. dit wordt door hun erfelijke aanleg bepaald. hierdoor kunnen de dieren op de juiste manier reageren op bepaalde prikkels van buiten (bijv. het verschijnen van een partner) of vanuit hun eigen lichaam (bijv. honger en poetsneiging). de omgeving beïnvloedt duiven in zo verre in hun manier van leven, dat ze zich hieraan moeten aanpassen; elke soort op zijn eigen manier. rots- en huisduiven zijn vogels die voor het zoeken naar voedsel zich zowel op de grond als in de lucht voortbewegen. het zijn planteneters die hoofdzakelijk zaden oppikken en die als holenbroeders hun nesten in nissen bouwen. in tegenstelling tot andere vogels gebruiken ze hun voeten niet om iets vast te houden, evenmin om te scharrelen. voer en nestmateriaal pakken ze met de snavel beet. bovendien gebruiken ze de snavel en de vleugelboog om te vechten. ze gebruiken hun snavel dus in bepaalde situaties zoals een mens zijn hand gebruikt. de vleugels, die in aanleg overeenstemmen met mensenhanden worden slechts zelden als zodanig gebruikt (bijv. deemoedgebaren, bedelen en vechten). scharrelende spaanse duiven in hun omgeving de zintuigen van duiven zijn goed aangepast aan hun manier van leven. als “ogendieren” met een goed ontwikkeld gezichtsvermogen beschikken ze over twee keer zoveel gezichtscellen in hun netvlies als de mens en ze hebben een veel groter gezichtsveld. bewegingen nemen ze minder goed waar dan de mens, maar kleuren juist beter. het evenwicht en het bewegingsgevoel, die noodzakelijk zijn om goed te kunnen vliegen, zijn bij duiven zeer goed ontwikkeld. de smaak, met als onderscheidingsmogelijkheden bitter, zuur, zout en zoet daarentegen weer slecht. als dieren, die vooral actief zijn in het licht, zoeken ze in de avondschemering hun rustplaats op, om deze pas bij het licht worden weer te verlaten. een “inwendige” klok regelt de op elkaar volgende periodes van activiteit en rust; bijvoorbeeld wat betreft voedselopname, drinken, lichaamsverzorging, vliegen, aflossen bij het broeden, hoeden en voeren van de jongen. door het licht-donkerritme te veranderen, kan men deze “inwendige” klok beïnvloeden. duiven beschikken ook over het vermogen om dingen te leren van een groep. hun geschiktheid om iets te leren werd door meerdere wetenschappers onderzocht. delius (1983) heeft dit samengevat en beschreven. volgens hem kunnen duiven: verschillende kleuren, figuren en vormen van elkaar onderscheiden; een volgorde van kleuren onthouden, d.w.z. dat ze tot vijf verschillende kleuren achter elkaar in de goede volgorde kunnen aanpikken; getalsmatig beperkte pikreeksen begrijpen, bijv. slechts vijf keer achter elkaar te pikken, dus op een bepaalde manier tellen leren; begrippen als “boom”, “symmetrie”, “mens”, of “gelijkheid” onderscheiden en begrijpen, zonder dat hier taal aan te pas komt. deze onderzoeken naar de leermogelijkheden leverden een wezenlijke bijdrage aan de kennis over organisatie, functie en mogelijkheden van het geheugen van duiven. als een duif eenmaal iets heeft begrepen, beheersen ze dat nog na 6 jaar! zo leerden ze afzonderlijke figuren uit een groep van maximaal 160 figuren te onderscheiden en konden ze dat na 2 jaar nog! duiven beschikken over een lange en korte termijn geheugen. terug naar het overzicht over het gedrag van duiven

GEDRAG DAT BEPAALD WORDT DOOR DE SOORT EN DE OMGEVING


Duiven beschikken over aangeboren, vaststaande gedragskenmerken, bijvoorbeeld het poets- en baltsgedrag. Dit wordt door hun erfelijke aanleg bepaald. Hierdoor kunnen de dieren op de juiste manier reageren op bepaalde prikkels van buiten (bijv. het verschijnen van een partner) of vanuit hun eigen lichaam (bijv. honger en poetsneiging).

De omgeving beïnvloedt duiven in zo verre in hun manier van leven, dat ze zich hieraan moeten aanpassen; elke soort op zijn eigen manier.

Rots- en huisduiven zijn vogels die voor het zoeken naar voedsel zich zowel op de grond als in de lucht voortbewegen. Het zijn planteneters die hoofdzakelijk zaden oppikken en die als holenbroeders hun nesten in nissen bouwen. In tegenstelling tot andere vogels gebruiken ze hun voeten niet om iets vast te houden, evenmin om te scharrelen. Voer en nestmateriaal pakken ze met de snavel beet. Bovendien gebruiken ze de snavel en de vleugelboog om te vechten. Ze gebruiken hun snavel dus in bepaalde situaties zoals een mens zijn hand gebruikt. De vleugels, die in aanleg overeenstemmen met mensenhanden worden slechts zelden als zodanig gebruikt (bijv. deemoedgebaren, bedelen en vechten).


Scharrelende Spaanse duiven in hun omgeving


De zintuigen van duiven zijn goed aangepast aan hun manier van leven. Als “ogendieren”  met een goed ontwikkeld gezichtsvermogen beschikken ze over twee keer zoveel gezichtscellen in hun netvlies als de mens en ze hebben een veel groter gezichtsveld. Bewegingen nemen ze minder goed waar dan de mens, maar kleuren juist beter.

Het evenwicht en het bewegingsgevoel, die noodzakelijk zijn om goed te kunnen vliegen, zijn bij duiven zeer goed ontwikkeld. De smaak, met als onderscheidingsmogelijkheden bitter, zuur, zout en zoet daarentegen weer slecht.

Als dieren, die vooral actief zijn in het licht, zoeken ze in de avondschemering hun rustplaats op, om deze pas bij het licht worden weer te verlaten. Een “inwendige” klok regelt de op elkaar volgende periodes van activiteit en rust; bijvoorbeeld wat betreft voedselopname, drinken, lichaamsverzorging, vliegen, aflossen bij het broeden, hoeden en voeren van de jongen. Door het licht-donkerritme te veranderen, kan men deze “inwendige” klok beïnvloeden.


Duiven beschikken ook over het vermogen om dingen te leren van een groep. Hun geschiktheid om iets te leren werd door meerdere wetenschappers onderzocht.

Delius (1983) heeft dit samengevat en beschreven.

Volgens hem kunnen duiven:

verschillende kleuren, figuren en vormen van elkaar onderscheiden;

een volgorde van kleuren onthouden, d.w.z. dat ze tot vijf verschillende kleuren achter elkaar in de goede volgorde kunnen aanpikken;

getalsmatig beperkte pikreeksen begrijpen, bijv. slechts vijf keer achter elkaar te pikken, dus op een bepaalde manier tellen leren;

begrippen als “boom”, “symmetrie”, “mens”, of “gelijkheid” onderscheiden en begrijpen, zonder dat hier taal aan te pas komt.


Deze onderzoeken naar de leermogelijkheden leverden een wezenlijke bijdrage aan de kennis over organisatie, functie en mogelijkheden van het geheugen van duiven. Als een duif eenmaal iets heeft begrepen, beheersen ze dat nog na 6 jaar! Zo leerden ze afzonderlijke figuren uit een groep van maximaal 160 figuren te onderscheiden en konden ze dat na 2 jaar nog! Duiven beschikken over een lange en korte termijn geheugen.



Terug naar het overzicht over het gedrag van duiven

titelpagina | rassen | fok | fotogalerij | artikelen | sitemap | contact