de tsjeljabinsker tuimelaar in oktober 2001 werd door ons voor het eerst de tsjeljabinsker tuimelaar in nederland getoond en wel in de “spiegel van de fokkerij” van de nationale bondsshow voor jonge dieren ”ornithophilia” te utrecht. ze zijn hiervoor slechts een enkele keer in het westen, met name in duitsland getoond. dit jaar verscheen voor het eerst een artikel over deze duiven in de “geflügel börse” (13/2001). helaas hebben zelfs die duitse fokkers, die ze met veel moeite naar het westen hebben gebracht en dit artikel schreven ze zelf niet meer. dat is erg jammer aangezien we te doen hebben met een zeer vitaal, tam en uiterst fraai ras. herkomst. dit russische ras is zeer zeldzaam. het is ontstaan uit kleine tuimelaars, pauwstaarten, meeuwtjes en voetbevederde “klatch”tuimelaars in de regio chelyabinsk of tsjeljabinsk gelegen in de ural vlak bij de grens met kazakstan. volgens duitse kenners van russische rassen is het ras eeuwenoud. door hun afgelegen plaats van oorsprong is het waarschijnlijk honderden jaren lang over het hoofd gezien. anderen nemen aan dat het een vrij nieuw ras is. ze zijn naar het westen gekomen doordat russische fokkers met duitse voorouders na de val van het ijzeren gordijn naar duitsland terugkeerden en hun duiven meenamen. uiterlijk. de tsjeljabinsker tuimelaar lijkt wat type betreft een kruising tussen een kortsnavelige tuimelaar en een meeuw. het is een opvallend parmantige kleine witte duif, die laag op zijn voetbevederde poten staat. de vleugels worden onder de opgetrokken staart gedragen. in opwinding siddert hij licht met de hals. het kleine kopje is naar alle kanten goed gerond met in het midden een groot donker oog. de enkele of dubbele oogranden zijn breed en licht van kleur. ze zijn altijd gladkoppig met een middelhoog voorhoofd. de lichtgekleurde snavel is kort en dik en vormt met het voorhoofd een stompe hoek. de slanke hals is middellang en komt uit een brede naar voren gewelfde borst. de hals siddert bij opwinding en wordt enigszins naar achteren gebogen. de hals kan getooid zijn met een jabot. tsjeljabinsker tuimelaar, doffer tsjeljabinsker tuimelaar, koppel de korte vleugels worden onder de staart gedragen, waarbij ze de grond niet raken. de staart is iets breder dan normaal en wordt opgetrokken gedragen waardoor de rug kort en hol wordt. de rug moet bovendien breed zijn. de staart zelf is vlak tot licht gewelfd. ze mag12 tot 16 pennen tellen, maar meestal zijn het er 12. de korte beentjes zijn getooid met een fraaie voetbevedering met duidelijke gierhakken. deze voetbevedering moet redelijk groot en goed afgerond zijn, waarbij de veren elkaar overlappen. karakter. de tsjeljabinsker tuimelaar is een zeer plezierige duif op het hok. het dier is niet schuw maar juist zeer vertrouwelijk en vitaal ondanks zijn smalle fokbasis. het dier kan goed overweg met andere duivenrassen. het is erg op de mens gericht en kan zeer gehecht raken aan de fokker. ze zoeken dan ook steeds contact met de fokker, vooral als ze bij gebrek aan voedsterduiven met de hand zijn grootgebracht. tsjeljabinsker tuimelaars in de volière tsjeljabinsker tuimelaars kunnen zeer tam zijn ervaring met hun vliegcapaciteiten hebben we niet. ze zijn ons te kostbaar om vrij te laten vliegen. bovendien zijn ze door hun witte kleur een gemakkelijke prooi voor sperwers en haviken. het lijken meer tentoonstellingsduiven, zoals de russische postuurtuimelaars, waar het mogelijk een voorouder van is. fok. de fok van deze parmantige diertjes hoeft geen problemen te geven. ondanks het feit dat ze een zeer smalle fokbasis hebben lijken ze weinig gevoelig te zijn voor ziektes. preventief enten wij ze wel, zoals trouwens al onze duiven tegen paramyxo en paratyfus. ze koppelen vlot en leggen probleemloos hun eieren. vrijwel alle eieren zijn bevrucht. het zijn zeer trouwe broeders. zes jongen per jaar per koppel is geen uitzondering. het enige probleem met de fok is het feit dat ze kortsnavelig zijn. ze kunnen hun eigen jongen niet groot brengen en daarom zijn voedsterduiven nodig. zelf gebruiken wij daar seldschuken tuimelaars voor. deze zijn middelgroot, maar toch aardig wat forser dan de tsjeljabinskers. konya witstaarttuimelaars als voedsterduiven pas gespeende jonge tsjeljabinsker tuimelaars de chelyabinsker tuimelaars zelf brengen zonder problemen 2 seldschuken tuimelaarjongen groot en deze liggen dan tevreden met goed gevulde krop in de broedschaal. mocht er onverhoopt geen voedsterkoppel ter beschikking staan, dan valt groot brengen met de hand te overwegen. dit is echter erg arbeidsintensief. wel levert het dieren op die de fokker zeer toegenegen zijn. jonge tsjeljabinsker tuimelaar met kruissnavel, deze dienen opgeruimd te worden terug naar overzicht artikelen

DE TSJELJABINSKER TUIMELAAR


In oktober 2001 werd door ons voor het eerst de Tsjeljabinsker tuimelaar in Nederland getoond en wel in de “Spiegel van de fokkerij” van de Nationale Bondsshow voor jonge dieren ”Ornithophilia” te Utrecht. Ze zijn hiervoor slechts een enkele keer in het Westen, met name in Duitsland getoond.

Dit jaar verscheen voor het eerst een artikel over deze duiven in de “Geflügel Börse” (13/2001). Helaas hebben zelfs die Duitse fokkers, die ze met veel moeite naar het Westen hebben gebracht en dit artikel schreven ze zelf niet meer. Dat is erg jammer aangezien we te doen hebben met een zeer vitaal, tam en uiterst fraai ras.


Herkomst. Dit Russische ras is zeer zeldzaam. Het is ontstaan uit kleine tuimelaars, pauwstaarten, meeuwtjes en voetbevederde “klatch”tuimelaars in de regio Chelyabinsk of Tsjeljabinsk gelegen in de Ural vlak bij de grens met Kazakstan. Volgens Duitse kenners van Russische rassen is het ras eeuwenoud. Door hun afgelegen plaats van oorsprong is het waarschijnlijk honderden jaren lang over het hoofd gezien. Anderen nemen aan dat het een vrij nieuw ras is.

Ze zijn naar het Westen gekomen doordat Russische fokkers met Duitse voorouders na de val van het IJzeren Gordijn naar Duitsland terugkeerden en hun duiven meenamen.


Uiterlijk. De Tsjeljabinsker tuimelaar lijkt wat type betreft een kruising tussen een kortsnavelige tuimelaar en een meeuw. Het is een opvallend parmantige kleine witte duif, die laag op zijn voetbevederde poten staat. De vleugels worden onder de opgetrokken staart gedragen. In opwinding siddert hij licht met de hals.

Het kleine kopje is naar alle kanten goed gerond met in het midden een groot donker oog. De enkele of dubbele oogranden zijn breed en licht van kleur. Ze zijn altijd gladkoppig met een middelhoog voorhoofd. De lichtgekleurde snavel is kort en dik en vormt met het voorhoofd een stompe hoek.

De slanke hals is middellang en komt uit een brede naar voren gewelfde borst. De hals siddert bij opwinding en wordt enigszins naar achteren gebogen. De hals kan getooid zijn met een jabot.


Tsjeljabinsker tuimelaar, doffer

Tsjeljabinsker tuimelaar, koppel


De korte vleugels worden onder de staart gedragen, waarbij ze de grond niet raken.

De staart is iets breder dan normaal en wordt opgetrokken gedragen waardoor de rug kort en hol wordt. De rug moet bovendien breed zijn. De staart zelf is vlak tot licht gewelfd. Ze mag12 tot 16 pennen tellen, maar meestal zijn het er 12.

De korte beentjes zijn getooid met een fraaie voetbevedering met duidelijke gierhakken. Deze voetbevedering moet redelijk groot en goed afgerond zijn, waarbij de veren elkaar overlappen.


Karakter. De Tsjeljabinsker tuimelaar is een zeer plezierige duif op het hok. Het dier is niet schuw maar juist zeer vertrouwelijk en vitaal ondanks zijn smalle fokbasis. Het dier kan goed overweg met andere duivenrassen. Het is erg op de mens gericht en kan zeer gehecht raken aan de fokker. Ze zoeken dan ook steeds contact met de fokker, vooral als ze bij gebrek aan voedsterduiven met de hand zijn grootgebracht.


Tsjeljabinsker tuimelaars in de volière

Tsjeljabinsker tuimelaars kunnen zeer tam zijn


Ervaring met hun vliegcapaciteiten hebben we niet. Ze zijn ons te kostbaar om vrij te laten vliegen. Bovendien zijn ze door hun witte kleur een gemakkelijke prooi voor sperwers en haviken. Het lijken meer tentoonstellingsduiven, zoals de Russische postuurtuimelaars, waar het mogelijk een voorouder van is.


Fok. De fok van deze parmantige diertjes hoeft geen problemen te geven. Ondanks het feit dat ze een zeer smalle fokbasis hebben lijken ze weinig gevoelig te zijn voor ziektes. Preventief enten wij ze wel, zoals trouwens al onze duiven tegen Paramyxo en Paratyfus.

Ze koppelen vlot en leggen probleemloos hun eieren. Vrijwel alle eieren zijn bevrucht. Het zijn zeer trouwe broeders. Zes jongen per jaar per koppel is geen uitzondering.

Het enige probleem met de fok is het feit dat ze kortsnavelig zijn. Ze kunnen hun eigen jongen niet groot brengen en daarom zijn voedsterduiven nodig. Zelf gebruiken wij daar Seldschuken tuimelaars voor. Deze zijn middelgroot, maar toch aardig wat forser dan de Tsjeljabinskers.


Konya witstaarttuimelaars als voedsterduiven

Pas gespeende jonge Tsjeljabinsker tuimelaars


De Chelyabinsker tuimelaars zelf brengen zonder problemen 2 Seldschuken tuimelaarjongen groot en deze liggen dan tevreden met goed gevulde krop in de broedschaal.

Mocht er onverhoopt geen voedsterkoppel ter beschikking staan, dan valt groot brengen met de hand te overwegen. Dit is echter erg arbeidsintensief. Wel levert het dieren op die de fokker zeer toegenegen zijn.



Jonge Tsjeljabinsker tuimelaar met kruissnavel, deze dienen opgeruimd te worden



Terug naar overzicht artikelen

titelpagina | rassen | fok | fotogalerij | artikelen | sitemap | contact