|
DE BURMALI EN DE HABUL-RUMMAN MEEUW
Begin 2002 verscheen in het Duitse tijdschrift “Geflügel Zeitung” voor het eerst een artikel van Mohamed Tabche over Arabische meeuwtjes. Hierin werden enkele voor ons volstrekt onbekende meeuwenrassen beschreven. Later verschenen er nog enkele artikels over deze duiven van hem in de “Geflügel-Börse” en in “Avicultura”. Ook het clubblad van de Duitse Meeuwenclub “Kurz und Rund” had al aandacht aan deze rassen geschonken.
Het betreft meeuwenrassen die voorkomen in Syrië, Libanon en Zuidoost Turkije. Het zijn duiven die daar sinds vele generaties gefokt worden om hun schoonheid of om hun vliegprestaties. Tabche zegt dat het de voorouders zijn van veel in West-Europa bekende meeuwenrassen. Wat hun tekening betreft zou dat zeker mogelijk zijn. We komen hier later nog op terug.
Eén ras was al langer bekend, namelijk het Barbarisi meeuwtje. Dit ras is nu ook in Duitsland erkend.
Zelf was ik het meest geïnteresseerd in het Burmali meeuwtje, met name omdat deze erg goed zou vliegen en in het Habul-Rumman meeuwtje vanwege zijn schoonheid.
Een Duitse duivenvriend had de nodige connecties en eind 2002 had ik twee koppels Burmali meeuwtjes en twee koppels Habul-Rumman meeuwtjes gekocht van Heinz Keller uit Stetten in Duitsland.
Burmali meeuw.
Het Burmali meeuwtje is afkomstig uit Libanon en Syrië.
Het Arabische woord “burma” betekent klein, kort en elegant. Dat zijn ze zeker. Het zijn prachtige, vitale en sierlijke duifjes.
Ze hebben een compacte bouw met een horizontale, middelhoge stand. De kop is langwerpig, gerond met een duidelijk voorhoofd en lijkt daardoor enigszins op de kop van de Oudhollandse meeuw. Ook hier vormen de snavel en het voorhoofd een ononderbroken gebogen lijn, die overgaat in de schedellijn. Het achterhoofd word gesierd met een puntkap. De neuswratten zijn klein en fijn. De ogen worden donker verlangd, met goed ontwikkelde, vleeskleurige oogranden. De eveneens vleeskleurige snavel is middellang, krachtig, dik aangezet en goed gesloten. De keel vertoont een duidelijke wam, terwijl de korte, krachtige borst voorzien is van een fraaie jabot. De borst zelf is breed en rond. De rug is licht afhellend en wordt goed afgedekt door de
vleugels. De benen zijn tamelijk kort en onbevederd.
|

|

|
|
Burmali meeuw doffer
|
Vrije Burmali meeuwen
|
M. Tabche noemt als bekende kleurslagen blauw met zwarte banden, blauw gekrast, rood, roodzilver gekrast en geelzilver. Als je de erfelijke achtergrond van deze kleurslagen beziet zijn er vast nog meer mogelijkheden.
De grondkleur van de Burmali meeuw is wit. Gekleurd zijn de vleugelschilden, de staart, de wangen en de broek achter de poten. Van het schild moeten 6 tot 9 slagpennen gekleurd zijn. Over duimveren wordt niet gesproken, maar 4 gekleurde duimveren per kant komt vaak voor en geeft een goede aftekening van de vleugelboog.
|

|

|
|
Koptekening Burmali meeuw
|
Vleugeltekening Burmali meeuw
|
Opvallend is de aparte koptekening. Deze wordt gevormd door een dubbelzijdige wangvlek die tussen de oogrand en de snavelhoek naar boven loopt en eindigt voor de puntkap. Het voorhoofd en de schedel wordt wit gewenst, hetgeen niet altijd het geval is. Hij lijkt daardoor enigszins op de Turbiteen, maar deze heeft een witte staart, een snip en bekousde benen. Meer nog lijkt hij op een Dominomeeuw, deze heeft eveneens een gekleurde staart en kale benen. De koptekening is bij de Dominomeeuw wat uitgebreider, maar veel Burmali meeuwtjes hebben ook een veel uitgebreidere koptekening dan gewenst. Ze zouden dus een voorouder van deze meeuwen kunnen zijn.
Zoals het een meeuw betaamt zijn ze redelijk vertrouwelijk. Ze vliegen echter zeer goed en onze ervaring is dat duiven die goed vliegen altijd iets minder vertrouwelijk zijn dan “niet-vliegers”. De Burmali’s vliegen graag en vrij hoog, eerst afzonderlijk en dan in de troep. Ze zeilen veel tijdens het vliegen, maar tuimelen of rollen niet. Hun oriëntatievermogen schijnt goed ontwikkeld te zijn. We hebben dan ook nog geen duif verloren doordat ze niet terugkwamen. Helaas wel door de kat, want ze baden graag en laten zich heerlijk op het gazon in de zon opdrogen, wat een mooi gezicht is. Ze zijn dan wel een gemakkelijker prooi voor de kat. Meestal blijven ze ongeveer een half uur tot drie kwartier weg om dan weer even op het hok terug te komen. Tabche beschrijft dat ze zich naar beneden storten, maar de onze doen dat niet of nog niet.
|

|
|
Burmali meeuw, jong
|
De fok van dit ras is probleemloos. Ze zijn erg vitaal en vrijwel alle eieren zijn bevrucht en komen uit. Door hun korte snavel gaat het voeren van de jongen wat moeizamer dan bij de Habul-Ruman meeuw, maar ze krijgen wel beide jongen groot.
Habul-Rumman meeuw.
De Habul-Rumman meeuw is afkomstig uit Libanon.
Het Arabisch “hab”betekent pit, en “ruman” betekent granaatappel. Dit slaat op hun schildtekening die op de structuur van een doorgesneden granaatappel zou lijken.
|

|

|
|
Habul-Rumman meeuw, doffer
|
Habul-Rumman meeuw, koptekening met vaak
voorkomend snorretje
|
Het is een kleine tot middelgrote meeuw, levendig van aard. De stand is horizontaal en laag. De kop is gerond, niet hoekig en iets afgeplat. Ze zijn gladkoppig. De grote, ronde ogen zijn donker met een levendige uitdrukking. De oogranden zijn smal en bleek. De snavel is middellang; de snavellijn gaat ononderbroken over het voorhoofd over in de schedellijn. Soms zit er toch een stompe hoek tussen de snavellijn en het voorhoofd. De keel toont en goed ontwikkelde wam, wat het dier een zeer gedistingeerd uiterlijk geeft. De hals is getooid met een fraaie jabot. De borst is redelijk breed. De vleugelbogen zijn vaak duidelijk zichtbaar. De rug wordt goed afgedekt door de vleugels. De benen zijn onbevederd.
|

|

|
|
Habul-Rumman, vleugeltekening
|
Het Habul-Rumman meeuwtje komt alleen in de kleurslag wit voor, waarbij het vleugelschild en de staart gekleurd zijn. Het vleugelschild heeft een witte grondkleur met een roze waas en is geschubd in de kleur donkergrijs, blauwachtig of matzwart. Er is een natuurlijke variatie in de intensiteit van deze schubtekening. De armpennen zijn aan de rand licht gemaserd. De staart is intensief blauw gekleurd met een witte spiegeltekening. Deze tekening is overeenkomstig de tekening van een Satinette, en mogelijk is de Habul-Ruman een voorouder van deze Oosterse meeuw.
De spiegeltekening is helaas nog niet bij alle dieren in volle glorie aanwezig. Het is dan ook ons streven om dit in eerste instantie te verbeteren. Aangezien de spiegeltekening pas na de eerste rui zichtbaar wordt, kan hier niet vroeg op geselecteerd worden.
De Habul-Rumman meeuw is redelijk vertrouwelijk, maar niet zo vertrouwelijk als onze Oudduitse meeuwen. Ze vliegen wel aardig, maar bepaald niet zo enthousiast als de Burmali’s.
|

|

|
|
Habul-Rumman meeuw, jong
|
De fok is probleemloos. Steeds bevruchte eieren die alle uitkomen. De jongen worden goed gevoerd en groeien vlot op. Waarschijnlijk omdat ze in de Arabische landen vooral geselecteerd worden op vliegen en minder op hun uiterlijk zijn ze vitaler dan onze andere duiven.
Al met al zijn de Burmali en Habul-Rumman meeuwtjes een echte aanwinst voor de liefhebber van iets bijzonders en voor de fokkers die hun sierduiven ook graag eens willen zien vliegen.
Terug naar overzicht artikelen
|